Uiltje zit in zijn boom
en wil een klein slaapje houden.
Hij kijkt eens om zich
heen of hij niet één van die vlegels, Beertje, of muisje Piep ziet, omdat die
hem steeds wakker maken.
Maar gelukkig alles is
rustig en Uiltje doet zijn oogjes dicht.
Maar na een tijdje word
hij gestoord door een hoop lawaai.
Klop, klop, hoort hij aan
de boom.
Hij kijkt eens wie hem
wakker durft te houden maar ziet niets.
Hij doet zijn oogjes weer
toe.
En verdorie weer hoort
hij, klop, klop.
Dan wordt Uiltje een
beetje boos omdat iemand hem steeds wakker maakt.
Nog eenmaal gaat hij
proberen te slapen.
En weer hoort hij klop,
klop, klop.
Nu is Uiltje echt boos.
Hij vliegt van zijn tak
en kijkt eens aan de andere kant van de boom.
Ha, nu zie ik het, wat
ben jij aan het doen en wie ben jij? vraagt Uiltje aan een grote vogel met een
spitse snavel.
Ik? vraagt de vogel, ja,
jij ja, zegt Uiltje nog steeds een beetje boos.
O, ik, ik ben Kekkie.
Kekkie, zegt Uiltje, wat
is dat nu weer voor rare naam en wat ben jij eigenlijk en waarom maak je zo,n
herrie.
Nou, nou, zegt Kekkie,
dat zijn veel vragen te gelijk.
Oh, nog praatjes hebben
ook, zegt Uiltje, dit is wel mijn boom hoor waar je zo,n herrie tegen maakt.
Ik ben Kekkie en ik ben
een vogel, een specht. En ik maak een gaatje in de boom omdat ik hier wil
wonen.
Niets hier wonen, zegt
Uiltje, dit is mijn boom.
Ja, maar waar moet ik dan
wonen? vraagt Kekkie, een beetje verdrietig.
Kom maar mee, zegt
Uiltje, ik weet wel een mooie boom voor je.
En samen vliegen ze naar
een andere boom, waar Kekkie met zijn snavel een mooi gaatje in de boom maakt
en waar hij nu lekker in kan wonen.
Uiltje vliegt weer terug
naar zijn eigen boom en eindelijk kan hij zijn slaapje doen.
Hé, hé, rust, denkt
Uiltje en hij valt gelijk weer in slaap.
© 2007 Patricia.
